Inleiding Marten Schalkwijk dd. 25 april 2003
4e lezing in de DOE lezingencyclus over Leiderschap in Suriname
EEN NIEUW MODEL VAN LEIDERSCHAP VOOR SURINAME
“Dit boek moet gelezen worden. Niet om de tijd en de energie die erin zijn geinvesteerd, maar om de lessen die het in zich bergt en de lering welke daaruit getrokken kan worden.” Dat schrijft Dr. Jules Sedney in zijn boek “De Toekomst van ons verleden; democratie, etniciteit en politieke machtsvorming in Suriname ” (1997). Hij geeft in dat boek een overzicht van 50 jaar Surinaamse politiek, waarvan hij de meeste jaren zelf actief heeft meegemaakt o.m. als minister president. Dr. Sedney heeft goede tijden gekend en een belangrijke nationale bijdrage geleverd, maar is ook verguisd. Hij is gevlucht tijdens het militair bewind, heeft aan de zijde van het verzet tegen de dictatuur gestaan en is teruggekeerd om onder de democratie zijn land te dienen. Hij heeft dus vrijwel alle hoeken gezien in zijn politieke en ambtelijke loopbaan. De lessen en lering waar hij naar verwijst zijn dus niet gebaseerd op theorie, maar op de practische ervaring en een enorme dosis reflectie. Het boek is mijns inziens zonder meer het beste boek over de Surinaamse politiek van de afgelopen 30 jaar en verplichte literatuur voor een ieder die daar iets van wil begrijpen.
Ik weet niet hoeveel mensen inderdaad aandacht aan de lessen geschonken hebben. Humphrey Bendt heeft het bij de aftrap van deze lezingencyclus gehad over de moderne politieke partij als een lerende organisatie. Daarbij aansluitend kan meteen gesteld worden dat moderne politieke leiders ook lerende leiders moeten zijn. Als wij dat serieus willen nemen zullen wij inderdaad lering moeten gaan trekken uit ons verleden, want anders maken wij straks weer dezelfde fouten en blijven wij als land maar in kringetjes ronddraaien. Laat mij dus vandaag beginnen met een aantal van die wijze lessen uit het boek van Dr. Sedney kort aan te stippen. Hij stelt in zijn laatste hoofdstuk o.m.:
“In het verleden zijn wij veel te slordig omgesprongen met onze vrijheden en niet zelden hebben wij onze plichten verzaakt. Wij zijn vergeten dat vrijheid niet alleen kostbaar is, maar ook kwetsbaar. Wij zijn een volk van glorieuze compromissen. Problemen worden niet opgelost en conflicten worden niet uitgevochten....Wij beroepen ons er met trots op een tolerant volk te zijn dat zijn problemen op een eigen Surinaamse manier oplost. Op zich is dat een nationale deugd, maar wij zijn daarin te ver gegaan. Er zijn nu eenmaal problemen die niet ‘typisch Surinaams’ zijn en waarvoor de Surinaamse tolerantie geen oplossing biedt. Inflatie, corruptie en dictatuur zijn daar voorbeelden van. Eerst nu beseffen wij dat er niet zoiets bestaat als een beetje inflatie, een beetje corruptie of een beetje dictatuur. Tolerantie op deze gebieden wordt altijd duur betaald. Inflatie steelt van de armen en speelt door aan de rijken. Inflatie maakt ingewikkelde regelgeving noodzakelijk en zet aan tot corruptie. Corruptie op haar beurt ondergraaft de publieke moraal, vernietigt de studiezin bij jongeren en ontmoedigt de prestatiedrang bij volwassenen. Corruptie is immers een gemakkelijke manier om rijk te worden, in ieder geval gemakkelijker dan hard werken, studeren en eerlijk zijn. En dan het beetje dictatuur. Periodiek komt dat verlangen in ons op en uit zich in de roep om een ‘sterke man’ en ‘doortastend leiderschap’. Wij hebben er in de jaren zeventig om gevraagd, wij zijn er de straat voor opgegaan en hebben openbare gebouwen in brand gestoken. In de jaren tachtig hebben wij die sterke leider gekregen en wij lopen er in de jaren negentig nog krom van. Toch dromen wij op weg naar de eenentwintigste eeuw, opnieuw van die goedaardige dictator. Wij vergeten gemakshalve dat dictatuur in zijn wezen kwaadaardig is en dat de dictator niet argumenteert, maar dicteert...” (blz. 157).
Geschiedenis
Ik stop bij het punt van het leiderschap. Leiderschap is namelijk een wezenlijk probleem in de Surinaamse samenleving geworden, maar tegelijk een randvoorwaarde om duurzame ontwikkeling te bereiken. Het is niet zo dat wij alleen maar slechte leiders hebben gehad, want vele leiders in de naoorlogse politieke geschiedenis waren populair bij de bevolking. Het is ook niet zo dat wij alleen maar zwakke leiders hebben gehad, want velen waren juist ‘sterke leiders’: Jopie Pengel, Jaggernath Lachmon, Iding Soemita, Desi Bouterse, en Jules Wijdenbosch. Samen hebben zij de politiek in Suriname in grote mate bepaald. Toch heeft er kennelijk iets ontbroken aan hun leiderschap, waardoor het effect niet voldoende kon doorwerken naar beneden toe.
De wereld is gedurende de langste tijd van haar geschiedenis geregeerd door autoritaire leiders. Hun doel was niet om het belang van de bevolking te dienen, maar hun eigen belang nl. macht behouden en rijkdom vergaren. Binnen deze context werd leiderschap gedemonstreerd via de zgn. commando en controle filosofie. Dit was een autoritaire vorm van leiderschap, die werd vastgelegd in de vroegere militaire en overheidsorganisaties. Binnen deze autoritaire filosofie werden burgers en volgelingen vooral gezien als individuen die gecontroleerd en gemanipuleerd moesten worden, en die vaak genoeg aan de kant gezet konden worden indien dat nodig was. De burger of de volgeling stond dus niet centraal. Bedrijven zijn hun organisatievormgaan afkijken van de militairen en overheid, zodat ze in eerste instantie ook erg hierarchies en autoritair waren. In reaktie op deze autoritaire benadering ontstonden vakbonden, die de belangen van de werknemers centraler gingen stellen. Onder druk van democratische denkbeelden werden de autoritaire leiderschaps- vormen in de tweede helft van de 20e eeuw minder.
Dit algemene beeld kunnen wij makkelijk projecteren op Suriname , waar het leiderschap historisch ook een zeer autoritair patroon heeft gevolgd.
Het beleid in de periode tot 1863 was duidelijk niet volksgericht, want een samenleving met slavernij is per definitie niet volksgericht bezig. Ook tijdens de periode van de contractarbeid was er geen volksgericht beleid. Wij kunnen gerust stellen dat pas met de eerste algemene verkiezingen en de intrede van interne autonomie de gemiddelde burger iets serieuzer werd genomen. De vraag is echter hoe democratisch de grote politieke leiders van na 1954 waren? Zelfs wanneer wij ons beperken tot de periode na de Onafhankelijkheid dan zijn vele jaren gekenmerkt door vrij autoritaire besluitvorming en bestuur. Inspraak van de bevolking en goed bestuur zijn meer uitzondering dan regel gebleken.
Wat men in Suriname meestal bedoeld met de roep om een ‘sterke leider’ is niet een Saddam Hoessein (om maar een recent voorbeeld te nemen) die met harde hand en grove schending van mensenrechten regeert, maar een soort verlichte dictator die snel besluiten neemt en alle problemen oplost. Het gaat dus om een grote mate van beslissingsbevoegdheid. Wat men daarbij niet aangeeft is dat dit soort sterke leiders geen controle tolereren en weinig inspraak geven aan de bevolking. De sterke leider als verlichte dictator hoeft niet corrupt te zijn, maar de verleiding tot machtsmisbruik en corruptie neemt bij het gebrek aan controle toe en velen vallen er voor. Dat hebben wij ook in onze recente geschiedenis kunnen vaststellen. De sterke leiders hebben de oplossingen niet kunnen realiseren, die verwacht werden, maar schiepen uiteindelijk meer armoede en ontevredenheid. In 1969 werden er massale stakingen gehouden, terwijl er een sterke leider aan het bewind was, die ten val kwam. In 1987 werd het militair regime massaal weggestemd, in 1991 weer, en in mei 1999 protesteerde de bevolking massaal tegen een semi-autoritaire president. Er bestaat niet zoiets als een beetje dictatuur, zoals Dr. Sedney het terecht zegt, en machtsmisbruik door sterke leiders is ons niet bespaard gebleven. Aan de andere kant hebben de Surinaamse burgers machtsmisbruik wel steeds afgestraft.
Het grote probleem met het leiderschap in ons land is dat het tot nu toe in onze geschiedenis vooral erg autoritair en hierarchisch is ingevuld. Wij hebben bijna niets anders gehad dan zgn. ‘sterke leiders’, niet alleen in de koloniale tijd, maar ook er na (Pengel, Lachmon, Soemita, Bouterse, Wijdenbosch). De roep om nogmaals een ‘sterke leider’ zal ons dus niet helpen uit de problemen, maar waarschijnlijk tot de zoveelste teleurstelling leiden.
Als wij inderdaad lessen uit ons verleden gaan trekken dan gaan wij het probleem van het leiderschap beter moeten bestuderen en moeten kijken waar de schoen wringt, zodat wij niet weer dezelfde fout maken. Wij zullen ook moeten nagaan wat voor alternatieve leiderschapsmodellen er zijn die binnen onze samenleving kunnen werken.
Essentie van democratie en politiek
Laat mij beginnen met een fundamentele opmerking te plaatsen nl. dat het politiek leiderschap niet los gezien kan worden van ons democratisch politiek stelsel. Al in het eerste artikel van onze Grondwet is vastgelegd dat “De Republiek Suriname een democratische Staat is, gebaseerd op de souvereiniteit van het volk en op eerbiediging en waarborging van fundamentele rechten en vrijheden”. De Amerikaanse president Abraham Lincoln stelde dat het bij democratie gaat om een regering van het volk, door het volk en voor het volk (... government of the people, by the people, for the people...). Omdat de bevolking niet direct kan regeren is er gekozen voor een indirect systeem, waarbij assembleeleden gekozen worden, die weer een president kiezen en die op zijn beurt ministers benoemd, en ministers zorgen weer voor ambtenaren en andere functionarissen. De Nationale Assemblee is door de bevolking gekozen en daarom staat er terecht in artikel 55 van de grondwet dat de Assemblee het hoogste orgaan van de Staat is. De Assemblee staat dus boven de regering omdat zij tussen verkiezingen in de drager is van de volkswil. Het gewicht van de politieke besluitvorming zou dus in de Assemblee moeten liggen. In de praktijk zien wij echter vaak het omgekeerde nl. dat de Assemblee het verlengstuk van de regering is geworden. Er wordt door de regering vaak niet gereageerd op vragen van de Assemblee (als ze de vragen tenminste krijgen) en heel vaak worden die vragen blijkbaar niet eens gesteld om de regering niet in verlegenheid te brengen.
Wij moeten ons goed realiseren dat in een democratie alle politieke leiders ondergeschikt zijn aan het volk. Dat brengt dus met zich mee dat in een democratie geen enkele politieke leider d.w.z. geen assembleelid, geen minister, geen president, geen directeur, geen legerleider, geen politiecommissaris, en dus ook geen enkele zgn. ‘sterke leider’ boven de wet staat of zich daar op kan beroepen. In een dictatuur zijn de democratische regels en de volkswil uitgeschakeld en verheft de ‘sterke leider’ zich inderdaad boven de wet, omdat die wet meestal opgeschort is of zodanig vervormd is dat men er niet onder valt.
Als wij de lijn doortrekken dan betekent het ook dat in een democratie het beleid daarom steeds transparant moet zijn en gecontroleerd moet worden. Er worden immers gelden van de gemeenschap gebruikt en die moeten zorgvuldig en met overleg besteed worden. Ook een sterke leider moet elke cent die uitgegeven is binnen een democratie kunnen verantwoorden. Wat wij echter zien is dat er wel begrotingen worden gemaakt, maar geen afrekening plaats vindt. Wij proberen een democratie te zijn, maar maken de controle apparaten bewust zwak, zodat de controle ook zwak is of uitblijft bijv. interne controle afdelingen, Rekenkamer, Openbaar Ministerie, Rechterlijke Macht, etc.
Als het beleid de bevolking ten goede moet komen dan wordt in een werkende democratie verwacht dat de bevolking ook invloed heeft op dat beleid. Dat betekent dat democratie niet blijft steken in verkiezingen, maar instrumenten ontwikkelt om de bevolking ook tussen de verkiezingen in te laten participeren. Dat kan via allerlei overlegorganen, organisaties, publieke opinie mechanismen, lokale democratische organen, e.d. Helaas zien wij dat bij ons de democratie te veel is blijven steken in het idee van de verkiezingen. Er zijn weinig instrumenten ontwikkelt om tussentijds de bevolking te betrekken bij het beleid. Een sprekend voorbeeld zijn de ressortraden en districtsraden, die vanaf 1987 nauwelijks gefunctioneerd hebben. Een ander voorbeeld is de Sociaal Economische Raad, die al heel lang is aangekondigd, maar er nog steeds niet is, zodat de inspraak en het overleg tussen sociale partners uitblijft.
Wat uit het bovenstaande blijkt is dat binnen een democratisch politiek bestel elke leider -dus zowel de sterke als de zwakke leider- dus aan de volgende zaken gehouden is:
- Men moet verantwoording afleggen over het beleid aan de bevolking via de Nationale Assemblee
- Men staat nooit boven de wet, maar altijd onder de wet
- Men moet financiele controle toestaan en dat zelfs aktief bevorderen
- Het beleid moet de bevolking ten goede komen en niet de eigen positie versterken
- De burgers moeten ook tussen de verkiezingen in betrokken worden bij het beleid.
Ik heb het nog niet gehad over kenmerken van het leiderschap, maar slechts over een aantal voorwaarden die de democratische inrichting van de samenleving stelt. Maar u ziet waarschijnlijk dat vele -zo niet de meeste- autoritaire leiders in onze politieke geschiedenis deze democratische spelregels vaak niet serieus hebben genomen. Dit lijkt te maken te hebben met de opvattingen die er in onze politieke cultuur leven over de ‘sterke leider’ nl. iemand die kennelijk boven of naast de wet staat en mag doen en laten wat andere burgers niet mogen, zolang er maar een aantal besluiten genomen worden. Tegen deze opvatting moeten wij ons verzetten, omdat het een niet-democratische model van leiderschap is dat dan ook niet bevorderlijk is voor onze samenleving. Daar komt nog bij kijken dat de resultaten van het beleid van de sterke leiders in onze geschiedenis helemaal niet zo denderend zijn als men wel wil doen geloven. Het beste bewijs daarvoor wordt geleverd door de afstraffingen die het beleid en de leiders bij verkiezingen hebben gehad.
Doel van leiderschap
Wat is leiderschap, kunt u zich afvragen? Leiderschap is in ons land gedegradeerd tot een term die weinig betekenis meer heeft. Men denkt dat iedereen die een hoge positie bekleed een leider is en dat heeft veel verwarring geschapen. Leiderschap is namelijk veel meer dan een positie. De volgende definitie spreekt mij het meeste aan:
“Leiderschap is de discipline van het bewust uitoefenen van speciale invloed binnen een groep, teneinde de groep te sturen in de richting van het bereiken van nuttige en duurzame doelen, die tegemoet komen aan de werkelijke noden van de groep.”
(Dr. John Haggai, oprichter van het Haggai Training Instituut voor Gevorderd Leiderschap)
Het gaat dus niet om het manipuleren van mensen voor het doel van de leider, maar een leider moet getoetst worden aan het uiteindelijke duurzame resultaat dat voor de groep bereikt wordt. Is de groep -of in dit geval de bevolking- er beter van geworden of niet? Is aan de werkelijke noden van de groep tegemoet gekomen of niet? Of is uiteindelijk alleen de leider en degenen om hem heen er beter van geworden?
Politiek Leiderschap staat niet op zichzelf, maar moet een doel hebben, de leider moet uiteindelijk iets bereiken voor de bevolking. De bevolking heeft niets aan leiders die zomaar oorlog gaan voeren of aan leiders die de rijkdommen van het land niet gebruiken voor het algemeen welzijn. De bevolking heeft ook niets aan leiders die etnische spanningen oproepen en delen van de samenleving tegen elkaar opzetten. De bevolking heeft niets aan leiders die burgers door wanbeleid het land uitjagen, omdat men niet meer rond kan komen van het loon. De bevolking heeft ook niets aan leiders die geen respect hebben voor hun grondenrechten en traditionele verworvenheden.
In zijn boek ‘The Soul of Politics”, beschrijft Jim Wallis heel goed waar burgers naar verlangen.
“Wij verlangen naar politieke leiders die de gemeenschap opbouwen en niet naar hen die polariseren; naar publieke dienstknechten die de kunst verstaan om totaal verschillende mensen bijeen te brengen in het algemeen belang, i.p.v. politieke zetbazen die alleen maar degenen vertegenwoordigen met de meeste politieke invloed. Het bouwen van consensus, het scheppen van gemeenschappelijke waarden, en het vinden van werkbare oplossingen voor hardnekkige problemen, zijn veel moeilijker taken dan het poneren van ideologische slogans en partijdige aanvallen op elkaar.”
Een aantal van de dingen die ik net gezegd heb zijn gehaald uit de toespraak die ik indertijd gehouden heb bij de presentatie van het beginselprogramma van DOE op 16 augustus 1999. Deze gedachten over leiderschap reflecteren dan ook niet alleen mijn persoonlijke mening, maar datgene waar DOE voor staat d.w.z. het is onderdeel van de gronprakseri van de Partij voor Democratie en Ontwikkeling in Eenheid. Wij zijn toen op basis van die basisbeginselen ook uitgekomen op een alternatief model van leiderschap. Alleen was dat model in 1999 nog niet volledig uitgewerkt. Inmiddels zijn wij een aantal jaren verder en hebben niet stilgezeten op dit punt, zodat ik vandaag in staat ben het model verder uit te werken.
Dienstbaar Leiderschap
In het beginselprogramma van DOE staat o.m. dat onze samenleving meer maatschappelijke solidariteit nodig heeft, de aspiraties van de bevolking beter vertaald moeten worden, en de potentie aan menselijke en natuurlijke hulpbronnen beter moet worden benut. Onze analyse was dat er een nieuw soort leiderschap nodig is om deze zaken te realiseren. Leiderschap dat bereid is om zichzelf vooral dienstbaar op te stellen. Leiderschap met een visie die gericht is op ontwikkeling van de bevolking, solidariteit en medeverantwoordelijkheid.
Wij hebben dus binnen DOE expliciet gekozen voor het model van Dienstbaar Leiderschap, een model dat eigenlijk haaks staat op het traditionele Surinaamse model van de autoritaire leider. De vraag is natuurlijk wat dit model verder inhoudt en of het geen onhaalbaar politiek ideaal is. Op die vragen wil ik in de rest van deze inleiding antwoord geven.
Gandhi en Mandela
Laat mij beginnen met de laatste vraag, omdat het werkelijk naief zou zijn om een model van leiderschap te propageren dat in de politiek gedoemd is te mislukken. Dat dit niet zo is zal ik illustreren aan de hand van twee grote leiders uit de Derde Wereld, een Hindostaan en een Creool, die door hun dienstbaar leiderschap beiden hun land bevrijd hebben.
Ik heb het dan ten eerste over de advokaat Mahatma Gandhi, wiens heel opmerkelijke vorm van leiderschap geleid heeft tot de onafhankelijkheid van India in 1947. Hij keerde op 45 jarige leeftijd vanuit Zuid Afrika terug naar India en begon toen zijn verzet tegen de Engelsen.
Hij heeft de splitsing van Brits-Indie in India en Pakistan weliswaar niet kunnen voorkomen, maar hij heeft zich in die periode enorm ingezet voor het reduceren en uitbannen van etnisch en religieus geweld. Dit deed hij o.m. door onverschrokken de gebieden in te lopen waar men gewelddadig bezig was en een vasten tot de dood uit te roepen wanneer het geweld niet zou ophouden. Gandhi was iemand die zich inzette voor de afschaffing van het kastestelsel en de verbetering van de positie van de armen en onaanraakbaren. Hij was een sociale hervormer, die zich inzette om onderwijs en gezondheidszorg te brengen voor de dorpsbewoners. Hij gaf zelf steeds het voorbeeld en was vooral dienstbaar aan anderen. Hij wilde geen privileges (nam gewoon de trein i.p.v. speciale regeringsautos), kleedde zich eenvoudig met zelfgemaakte kleren, en woonde zeer eenvoudig in een commune ( ashram ), waar iedereen gelijke arbeid moest leveren. Hij was een zeer religieuze hindoe, met veel respect voor andere godsdiensten.
Gandhi's leiderschap was gebaseerd op een hoge ethiek en moraal (steeds zoeken naar de waarheid), gekoppeld aan geweldloos verzet ( Sathyagraha en ahimsa) ). Winston Churchill noemde hem schimpend “een halfnaakte fakir” en weigerde India haar onafhankelijkheid te verlenen. Het wereldrijk Engeland moest uiteindelijk toch buigen voor het geweldloos verzet van miljoenen Hindostanen die Gandhi kon mobiliseren. Binnen India heeft Gandhi nooit een formele positie bekleed als minister of regeringsleider, maar hij was de man met het meeste morele gezag, die wel steeds geraadpleegd werd door Nehru en anderen. Hij zag de mensen om zich heen veranderen door ambities en de gevolgen van macht. Een opmerkelijk verhaal is dat toen de splitsing van India en Pakistan onontkoombaar was hij de Indiase regering een memo stuurde om U$ 125 miljoen te betalen aan Pakistan als deel van de boedelscheiding. De regering wees dit af -na al het geweld was dit begrijpelijk. Gandhi's oude medestrijders Premier Nehru en Sardhar Patel van de Congres Partij, en de minister van financien, John Matthai, kwamen hem uitleggen waarom het voorstel was afgewezen. Nadat Gandhi bijna 2 uur lang had geluisterd naar Patel's uiteenzetting zei hij tegen hem “Sardhar, je bent niet langer de Sardhar die ik heb gekend” en barstte in tranen uit. De mannen vertrokken riepen het kabinet weer bijeen, vertelden wat Gandhi's reaktie was, en de betaling aan Pakistan werd alsnog goedgekeurd en ook daadwerkelijk uitbetaald.
Gandhi bleef dus zelf zijn integriteit behouden, want hij geloofde in absolute waarden en integriteit. Hij leidde geen dubbel leven, maar trok één lijn en zei dan ook aan mensen “kijk naar mijn leven, hoe ik eet, zit, praat, en mij gedraag”.
Keshavan Nair heeft in zijn boek “A higher standard of Leadership” (1994) Gandhi's leiderschap omgezet in een model, waarbij hij drie centrale elementen aangeeft, elk met diverse subelementen:
- Integriteit: één standaard voor gedrag
- Een geest van dienstbaarheid
- Besluiten en akties zijn gebonden door morele principes
De tweede persoon is een meer recente leider nl. de advocaat Nelson Mandela, die zijn land bevrijd heeft van de apartheid. Na 27 jaar in de gevangenis werd hij geen man van revanche, maar van verzoening, die op onvoorstelbare wijze zijn eigen wrok en leed terzijde heeft gesteld in het nationaal belang. Het verhaal van Mandela kent u waarschijnlijk beter dan dat van Gandhi, omdat het recenter is. Het apartheidsregime met haar repressie en slachtoffers kennen we allemaal nog wel. Mandela was een politieke activist van het African National Congress (ANC) in de vijftiger jaren. 1 In 1964 wordt hij tot levenslang veroordeeld vanwege sabotage en poging tot omverwerping van het regime. In de gevangenis studeert Mandela veel en wordt algemeen erkend als een leider, zelfs door de cipiers, die hem met steeds meer respect gaan behandelen. Zijn leiderschap wordt daar al gekenmerkt door het dienend karakter naar zijn medegevangenen toe.
Onder toenemende internationale druk en vanwege massale stakingen in de zwarte woongebieden, waar de Zuid-Afrikaanse politie steeds gewelddadiger tegen optreedt, begint de regering in 1986 met geheime besprekingen met Mandela. In 1990 wordt hij -inmiddels 72 jaar oud - vrijgelaten en een jaar later gekozen tot voorzitter van het ANC. In deze periode blijft het geweld tussen Blanken en Creolen aanhouden, maar ook geweld tussen Creolen onderling en Mandela moet regelmatig de bevolking toespreken en tot kalmte manen. Dat lukt hem ook en in 1993 ontvangt hij samen met president de Klerk de Nobelprijs voor de Vrede. In 1994 werd hij gekozen als de eerste niet blanke president van Zuid Afrika. Hij regeert slechts één termijn en stelt zich niet meer herkiesbaar. Macht is voor hem niet belangrijk. Mandela heeft zich vooral ingezet om een brug te slaan tussen de bevolkingsgroepen in Zuid Afrika en om de wonden van die natie te helen. Dit laatste is vooral gebeurd door de instelling van een Waarheidscommissie die de wandaden van het apartheidsregime moest onderzoeken, maar ook kon vergeven aan degenen die zelf naar voren kwamen. Mandela was ook een voorvechter van sociale hervormingen. Toch zegt hij “één van de meest moeilijke dingen is niet het veranderen van de samenleving, maar van jezelf”.
Ook bij Mandela zie je leiderschap dat niet alleen gebaseerd is op een duidelijke visie -nl. om een verdeeld volk samen te smeden tot één natie- maar vooral op morele integriteit. Ofschoon hij niet vaak over zijn geloof praat is het duidelijk dat religie voor hem een belangrijke inspiratiebron is. “Religie is een grote kracht, en het kan je helpen om controle te krijgen over je eigen moraliteit, je eigen gedrag en je eigen houding”, zegt hij.
De vroegere Amerikaanse ambassadeur in Zuid Afrika, James Joseph, noemt de stijl van leiderschap van Mandela dat van een dienstbaar leider (servant leadership). Zijn eerste keuze is om te dienen, en het leiderschap volgt vanzelf daaruit. Mandela is dus ook geen typische autoritaire ‘sterke leider’, geen macho figuur, geen machtsfiguur. Toch erkent de hele wereld hem als een gezaghebbend politiek leider, die nog regelmatig gevraagd wordt om allerlei moeilijke internationale problemen op te lossen.
Gandhi en Mandela hebben het bewijs geleverd dat dienstbaar leiderschap in de politiek mogelijk is en dat je er resultaten mee kan boeken. Het is dus geen naief politiek leiderschapsmodel, maar zeker geen makkelijk model, omdat het veel persoonlijke integriteit en opoffering vergt.
Management literatuur
Opvallend is dat het model van dienstbaar leiderschap ook in het bedrijfsleven inmiddels is doorgedrongen. Robert Greenleaf, die bijkans 40 jaar voor het grote Amerikaanse telefoonbedrijf AT&T werkte en later als management consultant, introduceerde in 1970 het begrip servant leadership oftewel dienstbaar leiderschap.
“De dienstbare leider is allereerst een dienstknecht. Die persoon heeft het verlangen om te dienen en doet dat ook. Daarna ontstaat er een bewust verlangen om te leiden .” Zo een leider verschilt van degene die niet gediend heeft, maar meteen wil leiden . Ze zijn twee tegenovergestelde soort leiders.
Het grote verschil tussen deze twee leidertypes is te merken in de mensen die door hen geleid worden. Bij de dienstbare leider zullen de volgelingen groeien als persoon: ze worden gezonder, wijzer, vrijer, onafhankelijker, en krijgen ook het verlangen om dienstbaar te worden. De armen in de samenleving zullen het met dergelijk leiderschap beter krijgen, omdat de dienstbare leider immers de noden van anderen een hoge prioriteit geeft. De leider die zich niet dienstbaar opstelt heeft minder aandacht voor zijn volgelingen, want die zijn er vooral om hem te dienen. Zijn volgelingen gaan persoonlijk ook minder vooruit, omdat een deel er maar beter van wordt en de rest buiten spel plaatst. De armen hebben geen hoge beleidsprioriteit en krijgen het meestal ook niet beter. Ofschoon het verschil vaak moeilijk te toetsen is, blijkt in het geval van de armen het voorbeeld van moeder Theresa in India voor zich te spreken. Zij maakte een duidelijk verschil bij de armen en haar volgelingen groeiden ook als persoon.
In de loop der jaren heeft hij dit concept verder ontwikkeld en hebben ook anderen het geadopteerd. Tegenwoordig wordt het zelfs in een aantal topbedrijven in de wereld toegepast.
Opvallend is dat bedrijven met dit principe vaak een diepe crisis kunnen overleven, omdat de leiders leren om niet zichzelf maar anderen centraal te stellen.
Greenleaf's benadering wordt ook wel als de voorloper van de moderne empowerment beweging in het ondernemerschap gezien. Greenleaf beschreef echte leiders namelijk als degenen die anderen empowerde om hun volledige potentie te realiseren. Dienstbare leiders slagen er in om organisaties te transformeren en tot meer eenheid te maken, omdat ze zowel de groei van mensen als van de gemeenschap bevorderen.
Ken Blanchard geeft aan dat “dienstbaar leiderschap werkt. Het brengt mensen naar een hoger niveau, omdat de mensen op een hoger niveau geleid worden”.
Een andere bekende leiderschapsguru, Stephen Covey, stelt dat “de geest van dienstbaar leiderschap de geest van morele autoriteit is”. Zonder moreel gezag kan een dienstbare leider dan ook niet werken.
Paul Meyer van LMI geeft aan dat er tussen managers en werknemers soms een enorme kloof kan ontstaan. In zijn boek “Bridging the leadership gap” (1998) geeft hij aan dat die kloof overbrugd kan worden door leiders die zich laten leiden door drie essentiële waarden t.w.:
- Goed rentmeesterschap ( stewardship ) over de hulpbronnen en mensen die men ter beschikking heeft.
- Integriteit. Op leiders wordt gelet en hun handel en wandel moet een voorbeeld zijn voor anderen, niet alleen hun woorden. Men moet een rolmodel zijn. De tijd van leiders die maar doen en laten wat ze willen is voorbij, want volgelingen vragen om rekenschap en integriteit.
- Het hart van een dienstknecht. De tijd van de keiharde koppige manager is voorbij. Zulke managers zullen nog maar tijdelijk succes boeken. De meest effectieve leiders zijn degenen die bereid zijn om anderen te dienen, om de potentie van anderen te helpen ontwikkelen. Als wij de samenleving of een organisatie willen verbeteren zullen wij anderen vooruit moeten helpen. Dat vereist dienstbaar leiderschap .
U ziet dat in de leiderschaps- en management literatuur het dienstbaar leiderschap inmiddels tot de mainstream is gaan behoren. Dit is niet zo verwonderlijk, omdat in de management studies steeds meer onderkend wordt, dat de menselijke hulpbron ( human resources ) de belangrijkste factor in een bedrijf is. Daarnaast zijn de mensen ook een stuk beter geschoold en geemancipeerd, zodat nog maar weinige bewuste werknemers zich laten onderdrukken. De arbeidsverhoudingen zijn ook veel democratischer geworden. Het leiderschap en management dient zich daarbij aan te passen en men is de werknemers vooral als medewerkers gaan benaderen. Respect en waarden zijn daarom belangrijker geworden in de arbeidsverhoudingen en het model van dienstbaar leiderschap past daar heel goed bij.
Wie wil nog onder een baas werken die schreeuwt en bedreigt en werknemers uitbuit en voor de gek houdt? Die tijd is toch voorbij? Als dat geldt binnen het bedrijfsleven zou dat ook moeten gelden voor de burger als kiezer. Ook de kiezer verdient een stuk menselijker leiderschap, een dienstbare leider i.p.v. een autoritaire schreeuwlelijk die anderen zomaar beschuldigt en bedreigt en zonder respect behandeld. De kiezer verdient toch betere politieke leiders dan figuren die als ze aan de macht zijn hen snel vergeten, geen aandacht aan de armen besteden en hun zakken vullen? De kiezer verdient betere politieke leiders dan mensen die tegen de verkiezingstijd wat truien of sopie uitdelen en stemmen kopen. De kiezer verdient dienstbare leiders die op een verantwoorde manier met macht omgaan en geen machtswellustelingen die alleen maar op status uit zijn en in dure wagens op kosten van de belastingbetaler willen rondrijden. Op de één of andere manier laat de werknemer die dat in een bedrijf niet meer zou pikken, zich in de politiek tegen verkiezingstijd als kiezer enorm pakken.
Kenmerken van een Dienstbaar Leider
Kort gezegd verdient de burger politieke leiders die ervoor gaan zorgen dat niet de leiders maar de burgers vooruit gaan. Dienstbare leiders gebruiken macht niet om anderen te controleren of te onderdrukken, maar om samen te werken aan de toekomst. Dienstbaar leiderschap wil de leden van een gemeenschap een stuk mede-verantwoordelijkheid geven voor de besluitvorming. Daarom sluit dit model goed aan bij de moderne opvattingen van democratie en politiek, maar ook bij de aspiraties van onze bevolking.
Laat mij echter gaan afronden en een aantal kenmerken van de dienstbare leider op een rij te zetten.
Larry Spears geeft aan dat dienstbare leiders 10 kenmerken bezitten die hen onderscheiden van andere soort leiders:
- Ze luisteren. Niet alleen naar anderen, maar ook naar hun diepere waarden.
- Ze hebben begrip voor anderen (empathy)
- Ze werken helend
- Ze hebben een goed ontwikkeld bewustzijn (ook zelfbewust)
- Ze overtuigen en gebruiken hun positie niet om zaken af te dwingen (persuasion rather than coercion)
- Ze hebben een behoorlijk conceptueel vermogen. Ze denken vaak verder dan de dagelijkse realiteit bij het oplossen van problemen.
- Ze voorzien zaken vrij goed. Ze begrijpen de lessen uit het verleden, de realiteit van het heden en de mogelijke toekomstige consequenties van een besluit. Hebben dus een vrij goede intuitie.
- Het zijn goede rentmeesters (stewardship) en kunnen goed op zaken van de samenleving passen.
- Ze zijn toegewijd aan de groei van anderen op persoonlijk, professioneel en geestelijk gebied
- Ze zien het belang van gemeenschap (community) en helpen gemeenschapszin te ontwikkelen
Samengevat stelt Larry Spears dat dienstbaar leiderschap wordt gekenmerkt door
- het benadrukken van dienstbaarheid aan anderen,
- een holistische benadering van werken,
- de bevordering van gemeenschapszin, en
- het delen van de macht t.a.v. de besluitvorming
Dit is het model dat erg werkbaar lijkt voor Suriname . Waarom zeg ik dat.
Ten eerste omdat wij hier een vrij complexe samenleving hebben met veel hebi's waar dienstbare leiders een goede job kunnen doen, omdat ze hun persoonlijke belangen en ambities ondergeschikt maken aan dat van de gemeenschap.
Ten tweede hebben wij weinig checks en balances binnen onze democratie, zodat je liefst dienstbare leiders op de spullen van de samenleving laat passen, omdat ze veel minder de neiging hebben om te stelen. Ze hebben namelijk innerlijke waarden en normen die hen daarvan weerhouden.
Ten derde willen burgers niet meer buitengesloten worden en behoort de tijd van de achterkamer politiek van elites voorbij te zijn.
Ten vierde zijn verantwoording en transparantie in de hedendaagse samenleving een ‘must’ en zijn dienstbare leiders veel meer geneigd om deze zaken te ontwikkelen en te implementeren.
Ten vijfde hebben wij hier nog een behoorlijke religieuze basis -absolute innerlijke normen en waarden- die nodig zijn om dienstbare leiders te ontwikkelen. Want dienstbaar leiderschap bestaat niet uit een stel technieken of vaardigheden, maar heeft te maken met de vorming van het karakter middels het beoefenen van bepaalde gewoonten.
Tenslotte denk ik dat dienstbare leiders uiteindelijk veel sterkere leiders zullen blijken te zijn dan de traditionele autoritaire leiders. Dit omdat het beleid door het betrekken van anderen een veel breder draagvlak zal krijgen en door de inzet van anderen veel meer vruchten zal afwerpen. De resultaten zullen dat na enige tijd bewijzen.
Ik dank u.
1. De ANC was in 1912 opgericht om een eind te maken aan de overheersing door de blanke minderheid, en Mandela werd in 1942 lid van het ANC. terug

DOE
Printer vriendelijke versie